Effectiviteit van mechanische tractie als non-invasieve behandelmethode voor carpaal tunnel syndroom in vergelijking met gebruikelijke zorg

NicoleOnderzoek0 Comments

Dr. Margreet Meems, Prof. dr. Victor Pop

Carpaal tunnel syndroom (CTS) is een prevalente neurologische aandoening: ongeveer 5% van de Nederlandse bevolking heeft er last van. (1) Bij CTS patiënten is de nervus medianus bekneld ter hoogte van de carpale tunnel, wat leidt tot symptomen van doofheid, tintelingen en soms pijn in de hand(en). (2) CTS wordt meestal conservatief behandeld wanneer de klachten nog maar kort bestaan of mild zijn. De meest gebruikte conservatieve behandelingen zijn een polsspalk of steroïde injectie in de carpale tunnel. Beide behandelopties zijn effectief op korte termijn, maar bewijs voor effect op de lange termijn is schaars. (3) Een CTS operatie, waarbij het carpale ligament gekliefd wordt, is de enige behandeling die effectief is op lange termijn. Het is echter een invasieve methode en 25% van de patiënten ervaart aanhoudende symptomen, operatieve complicaties of een terugkeer van de symptomen. (4) Mechanische tractie uitgeoefend op de pols met behulp van de Phystrac is een veelbelovende, conservatieve behandeloptie voor CTS.

 

Methode

We hebben een randomized controlled trial uitgevoerd waarbij het effect van mechanische tractie van de pols als non-invasieve behandeling voor CTS is onderzocht onder CTS patiënten van een polikliniek Neurologie van het VieCuri Medisch Centrum in Venlo/Venray. In totaal werden 181 volwassen CTS patiënten (gemiddelde leeftijd 58.1 (13.0) jaar, 67% vrouw) geïncludeerd. Alle patiënten hadden een klinische CTS diagnose, welke was bevestigd door middel van elektrofysiologisch onderzoek. Deelnemers werden gerandomiseerd in één van de twee groepen: interventie (mechanische tractie) of de controle groep (gebruikelijke zorg). Patiënten in de interventie groep kregen 12 behandelingen met mechanische tractie gedurende zes weken. Tijdens deze behandeling oefent het Phystrac tractieapparaat herhaaldelijk trekkracht uit op de pols met behulp van een gewicht. Wanneer de tractie na 12 behandelingen niet effectief was, kregen patiënten alsnog de gebruikelijke zorg. In de controle groep kregen patiënten direct de gebruikelijke zorg. In de meeste gevallen betekende dat een polsspalk, steroïde injectie of een operatie, of werd een afwachtende benadering gehanteerd als de klachten nog niet ernstig genoeg waren. Deelnemers in beide groepen vulden vragenlijsten in bij de start van het onderzoek en na 3 en 6 maanden, waaronder de Boston Carpal Tunnel Questionnaire (BCTQ). De BCTQ meet de ernst van de symptomen en mate van functionele beperking in CTS patiënten. (5)

 

Resultaten

Na 6 maanden was de gemiddelde BCTQ score significant gedaald ten opzichte van de start van het onderzoek in beide groepen (p <.001), maar er was geen verschil tussen de groepen. Patiënten in de controle groep ondergingen echter vaker een operatie: In de interventie groep was na 6 maanden 28% van de patiënten geopereerd, ten opzichte van 43% in de controle groep (χ2 (1, N = 181) = 4.40, p = .036).

 

Discussie

Behandeling voor CTS met mechanische tractie resulteerde in significant minder operaties na 6 maanden. Mechanische tractie heeft een aantal voordelen. Het is non-invasief: patiënten ervaren over het algemeen geen pijn of ongemak van de behandeling en kunnen hun dagelijkse bezigheden blijven doen. Patiënten met bilaterale symptomen kunnen behandeld worden aan beide handen tijdens dezelfde sessie en de behandeling kan door middel van de gewichten en het aantal sessies worden aangepast aan de behoefte van individuele patiënten. Wanneer mechanische tractie niet effectief is, is een operatie alsnog een optie.
In Nederland wordt ongeveer 25% van de patiënten met een klinische CTS diagnose doorverwezen door de huisarts naar een polikliniek neurologie. (6) De overige patiënten worden behandeld door hun huisarts of krijgen geen behandeling. Mechanische tractie zou geschikt kunnen zijn voor deze patiënten omdat het non-invasief is en een laag risico met zich mee draagt. Operatieve behandeling wordt gezien als de meest effectieve optie, maar sommige patiënten geven aanvankelijk een voorkeur aan conservatieve behandeling, wat ook meer kosteneffectief kan zijn.

 

Referenties

 

  1. Gerritsen AA, de Vet HC, Scholten RJ, Bertelsmann FW, de Krom MC, Bouter LM. Splinting vs surgery in the treatment of carpal tunnel syndrome: a randomized controlled trial. JAMA. 2002;288:1245-51.
  2. Dawson DM. Entrapment neuropathies of the upper extremities. New Engl J Med. 1993; 329: 2013-8.
  3. Huisstede BM, Hoogvliet P, Randsdorp MS, Glerum S, van Middelkoop M, Koes BW. Carpal tunnel syndrome. Part I: effectiveness of nonsurgical treatments–a systematic review. Arch Phys Med Rehabil. 2010;91:981-1004.
  4. Bland JD. Treatment of carpal tunnel syndrome. Muscle Nerve. 2007;36:167-71.
  5. Leite JC, Jerosch-Herold C, Song F. A systematic review of the psychometric properties of the Boston Carpal Tunnel Questionnaire. BMC Musculoskelet Disord. 2006;7:78.
  6. Peters-Veluthamaningal C, Winters JC, Groenier KH, Meyboom-de Jong B. Randomised controlled trial of local corticosteroid injections for carpal tunnel syndrome in general practice. BMC Fam Pract. 2010;11:54.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *